Naam:  Wachtwoord:        Wachtwoord? Naam?   |   Register
Home Algemeen Internet technieken

Internet technieken

PDF Afdrukken E-mail
Webdesign - Achtergrond

Internet technieken

De kwaliteit van de webpagina's is in de loop van de tijd aanzienlijk verbeterd. In het beginstadium van het Internet zagen de pagina's op het World Wide Web er statisch en zelfs wat somber uit. Er was nog geen spraken van leuke animaties, muziek, driedimensionale werelden en interactiviteit met de gebruiker. Maar dat is radicaal veranderd.

De technologische ontwikkeling gaat zo snel dat er nu al acht Internet technologieën zijn die u kunt gebruiken bij het maken van een website. De éne technologie zal u misschien meer aanspreken dan de andere, maar ze staan tot uw beschikking. De acht Internet technologieën van dit moment zijn: HTML, CGI, plug-ins, Java, JavaScript, ActiveX, VBScript en Cascading Style Sheets. Omdat het voor het maken van een website belangrijk is om de juiste technologie te kiezen, zal ik iedere technologie even kort bespreken.

HTML

HTML (HyperText Markup Language) is afgeleid van de moedertaal SGML (Standard Generalized Markup Language), dat in 1969 werd ontwikkeld als antwoord op het probleem van elektronische archivering. HTML is in tegenstelling tot SGML geen programmeertaal, maar bevat codes die u kunt gebruiken bij het indelen van uw pagina's. Documenten opmaken met HTML lukt dan ook prima, maar aan de grafische presentatie kunt u niets veranderen.
Toen Tim Berners-Lee in 1990 HTML uitvond, was iedereen nog vol lof over de mogelijkheden die HTML bood. En terecht. Het werd eindelijk mogelijk om eenvoudig informatie uit te wisselen tussen computers die ver van elkaar vandaan stonden. Toch kwam er al vrij snel commentaar op de mogelijkheden die HTML bood. Dit commentaar kwam vooral van webontwikkelaars die hun webpagina's eenzelfde uiterlijk wilden geven als de pagina's in de gedrukte media en meer interactiviteit wensten. Er werd gezocht naar alternatieven.

CGI

Als eerste werd, om de communicatie tussen de computer thuis en de webserver te verbeteren, Common Gateway Interface-script (CGI) geïntroduceerd. CGI-script zorgt ervoor dat een wisselwerking ontstaat tussen de gebruiker en de inhoud van een pagina. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de zoekmachines op het Web, het tellertje op de homepage en het doorsturen van de gegevens die gebruikers invullen op elektronische formulieren. Wanneer u op de verzendknop klikt worden de gegevens naar de server gestuurd, waar ze vervolgens worden verwerkt. De uitkomst daarvan wordt weer teruggestuurd en in uw browser weergegeven.
Voor het schrijven van een CGI-script is een zekere mate van programmeerkennis vereist. Daarnaast, en dat is veel belangrijker, moet de maker van de webpagina toegang hebben tot de server. Geen enkele provider biedt op dit moment vrije toegang tot zijn server. Het is daarom voor de thuisgebruiker niet handig om CGI-script te gebruiken.

Plug-ins

Om de audio en grafische mogelijkheden van het World Wide Web ten volle te kunnen benutten kwamen fabrikanten met plug-ins op de markt. Plug-ins zorgen ervoor dat u muziekbestanden, videofilmpjes, animaties en zelfs documenten van verschillende populaire pakketten in de browser kunt bekijken. Het gaat om eenvoudig te installeren hulpprogramma's die meestal gratis zijn te downloaden van het Web.

De meest gewilde en indrukwekkende plug-in komt van Macromedia en is bedoeld om Flash bestanden af te spelen.






















Als de browser een muziekbestand tegenkomt dan gaat hij op zoek naar een plug-in die dit bestand kan afspelen. Is die gevonden, dan wordt het programma gestart en naderhand weer afgesloten. Zo'n programma is te activeren vanuit een apart venster, maar kan ook worden geïntegreerd in een HTML-bestand. Het grootste voordeel van plug-ins is dat het mogelijk is om bijna alle typen bestanden weer te geven op het World Wide Web. Daar staat wel tegenover dat ze flink wat ruimte in beslag kunnen nemen op de harde schijf.

Java

HTML, CGI-script en plug-ins zijn nuttige middelen om een homepage te verfraaien, maar bieden nog geen oplossing voor een echte interactieve webpagina. Daarom zochten programmeurs naar een taal waarmee programma's kunnen worden gemaakt die de interactiviteit vergroten en de server ontlasten. In 1995 introduceerde Sun Microsystems de objectgeoriënteerde programmeertaal Java. Met Java kunnen bestanden (Java-applets) worden geschreven die door de browser worden gedownload en vervolgens op de computer thuis worden uitgevoerd. Daarnaast kunnen met die Java-applets hoogwaardige interactieve pagina's worden ontwikkeld.
Om Java-applets te kunnen maken is flink wat programmeerkennis nodig. De meeste Internet-gebruikers kunnen er verder dan ook niets mee, hooguit een aantal applets gebruiken die op het web beschikbaar zijn. Hoewel Java een hele stap vooruit is in het maken van geavanceerde webpagina's, was er nog steeds geen taal waarmee thuisgebruikers uit de voeten konden.

JavaScript

De programmeurs bij Netscape realiseerden zich als eerste dat Java niet voor iedereen geschikt is. Ze waren inmiddels al bezig om een scripttaal te ontwikkelen die de interactiviteit tussen de gebruiker en de server kon vergroten: LiveScript. Die taal was in eerste instantie bedoeld om beter te kunnen communiceren met de serversoftware van Netscape (LiveWire).
Na de introductie van Java werd een tweede doel geformuleerd. LiveScript zou een 'tussentaal' moeten worden tussen HTML en Java-applets. Sun Microsystems zag hier wel iets in, omdat het Java populairder kon maken. In december 1995 kondigden Netscape en Sun aan dat ze de taal samen verder zouden ontwikkelen. De naam werd veranderd in JavaScript. Beide bedrijven hoopten dat dit de nieuwe standaard scripttaal voor het Net zou worden. JavaScript heeft weliswaar veel weg van Java, maar is zeker niet hetzelfde. De Java-syntaxis zijn afgeleid van C en C++, een aantal elementen daarvan is weer terug te vinden in JavaScript.

Op de site van Netscape kunt u de laatste informatie krijgen over JavaScript.












JavaScript is veel eenvoudiger te hanteren dan Java. Bij Java moet eerst de broncode worden geschreven, die wordt gecompileerd en vervolgens moet de applet op een server worden geplaatst. Bij JavaScript verloopt dat allemaal simpeler: u kunt de broncode direct invoeren in een HTML-document of er een apart bestand van maken. De browser interpreteert de broncode direct na het laden van het document. Vandaar dat de term 'geïnterpreteerde taal' wordt gebruikt.
Geïnterpreteerde talen (interpreted languages, in het Engels) hebben zowel voor- als nadelen ten opzichte van gecompileerde talen. De pluspunten: ze zijn makkelijker te leren, simpeler van opzet, en bovendien is de broncode eenvoudiger aan te passen omdat die niet hoeft te worden gecompileerd. Een algemeen erkend nadeel van geïnterpreteerde talen is dat ze langzamer werken dan de gecompileerde tegenhangers. De code van geïnterpreteerde talen wordt pas omgezet op het moment dat het bestand wordt geactiveerd. Bij JavaScript is dat het moment waarop het bestand wordt gedownload.


ActiveX

Java werd door velen gezien als een product dat de alleen heerschappij van Microsoft zou kunnen breken. Java is immers platform onafhankelijk. Het kon dan ook niet anders dat Microsoft in de tegenaanval ging. Het nam Java in licentie en bekeek de mogelijkheden ervan. Microsoft kwam tot de conclusie dat Java teveel beperkingen heeft. Zo maakt Java geen gebruik van de specifieke eigenschappen die het Windows besturingssysteem biedt. Java kan dat niet, omdat dat ten koste zou gaan van de uitwisselbaarheid ten opzichte van de verschillende systemen. Microsoft geeft daar niet zoveel om, omdat men in de luxe positie verkeert dat op het merendeel van de computers Windows is geïnstalleerd.

Met ActiveX Control Pad kunt u zeer snel ActiveX control implementeren in uw webpagina.





















Met deze wetenschap ging Microsoft ging aan de slag en kwam met de componententaal ActiveX, wat zeker niet hetzelfde is als Java. ActiveX maakt gebruik van Microsoft's OLE- en OCX-componenten en werkt dus vooral goed op een Windows-besturingssysteem. Daardoor kan ActiveX dan ook gebruik maken van de specifieke eigenschappen van dat systeem. Het resultaat is dat ActiveX-componenten veel sneller en krachtiger zijn dan Java.
ActiveX kan worden gebruikt om verschillende applicaties te kunnen aanroepen in een webbrowser. Java kan dat ook, maar alleen met programma's die in Java zijn geschreven. ActiveX is wat dat betreft flexibeler omdat het hierbij niet uitmaakt in welke taal de applicatie is ontwikkeld.
Omdat een applicatie aanroepen in een HTML-pagina veel tijd kost, zocht Microsoft naar een beter alternatief, waarbij toch gebruik gemaakt kon worden van de 'look and feel' van verschillende programma's. De oplossing was ActiveX controls.
Controls zijn verschillende objecten, zoals knoppen, balken en formulier-elementen, die er hetzelfde uitzien als de hoofdapplicaties waarmee u werkt. Hierdoor kan er een uniforme lay-out worden verkregen bij het maken van uw website. Bijna ieder bekend pakket kent zijn eigen ActiveX controls. Zit de control die u wilt hebben er niet bij dan kunt u deze altijd zelf maken en het maakt niet uit in wat voor een programmeertaal dat gebeurt. Om deze controls te activeren op het Internet wordt gebruikt gemaakt van de scripttaal VBScript.

VBScript

Zoals JavaScript nauw kan samenwerken met Java, zo kan VBScript dat met ActiveX. VBScript is ontstaan uit Visual Basic for Applications (VBA) de lichtere versie van Visual Basic. Het heeft ook veel eigenschappen van die taal overgenomen. VBScript heeft geen eigen interface, maar werkt door middel van het MSIE Object Model op de client computer.
VBScript is net als JavaScript een zeer veilige taal. U kunt er geen bestanden mee verwijderen, een printer aansturen of er een harde schijf mee formatteren. VBScript wordt geïmplementeerd in een HTML-pagina en wordt nadat het geladen is in een browser geïnterpreteerd.
VBScript stelt u in staat om processen te automatiseren, gegevens te valideren en interactiviteit met de gebruiker te bewerkstelligen. Om dit te kunnen bewerkstelligen werkt VBScript nauw samen met de verschillende elementen die u kunt opnemen in uw webpagina. Deze elementen komen voor in twee soorten, de intrinsieke HTML-elementen en de ActiveX controls.

Cascading Style Sheets

Zoals u heeft kunnen lezen begonnen op terreinen waar HTML echt niets kon betekenen webontwikkelaars technieken als scripttalen, plug-ins, ActiveX en Java te gebruiken om toch aan de behoeften te kunnen voldoen. Behalve de vele voordelen van deze laatstgenoemde alternatieven kleeft er één belangrijk nadeel aan en dat is het gebrek aan uniformiteit. Veelal werken de alternatieven maar met één specifieke browser, waardoor de toepasbaarheid ervan sterk wordt beperkt. Er verschijnt vaak wel de tekst met de melding 'Best bekeken met....', maar het is natuurlijk nooit de bedoeling van het web geweest om een categorie gebruikers uit te sluiten. Dit was een reden te meer voor het World Wide Web Consortium om hiervoor een oplossing te vinden.

Bij het W3C ontwierpen ze style sheets. Op hun site is dan ook de specificatie te vinden.


















Deze werd gevonden in Cascading Style Sheets (CSS). De primaire doelstelling van style sheets is de grafische presentatie op het web verbeteren zonder dat de uniformiteit wordt aangetast. Een style sheet bevat code waarmee lettertypen, lagen, kleuren, randen en posities kunnen worden bepaald. Het fijne is dat één style sheet aan meerdere webpagina's kan worden gekoppeld, zodat er een uniform uiterlijk op de website ontstaat. Beide browsers hebben aangegeven dat ze style sheets met de tijd volledig zullen ondersteunen waardoor het eindelijk weer mogelijk wordt om één pagina te maken die er in beide browsers goed uitziet. Om style sheets te kunnen implementeren in een webpagina zijn er in HTML 4.0 verschillende nieuwe elementen opgenomen die dit mogelijk maken. Aan het eind van dit boek kunt u met al deze elementen overweg.

Toekomstige ontwikkelingen

Misschien heeft u wel verschillende versies gehoord over wat Dynamic HTML is. En dat kan ook, omdat hier nog geen specificatie voor bestaat. Wel is duidelijk dat DHTML een standaard wordt en een combinatie zal worden tussen HTML, CSS, DOM (Document Object Model) en een scripttaal. Over de eerste twee onderdelen is overeenstemming bereikt, met de kanttekening dat CSS pas bij de 5.0 versies van de browsers echt toepasbaar is. Over het derde onderdeel, DOM, zijn nog geen afspraken gemaakt. De specificatie van hiervan zal pas in de loop van volgend jaar verschijnen. In deze specificatie zullen richtlijnen worden geven over hoe een scripttaal met HTML moet werken. Dat dit zeer belangrijk is kunt u dagelijks ervaren op het Web. Hoe vaak krijgt u niet een JavaScript error? Pas als de DOM specificatie klaar is zal het eenvoudiger worden om een script te schrijven dat in alle browsers werkt. Daarnaast valt te verwachten dat er dan ook meer duidelijkheid komt over het vierde onderdeel, de scripttalen. Nu is het zo dat JavaScript veruit favoriet is omdat het door beide browsers wordt ondersteund. Maar of dat ook nog zo is als VBScipt en ActiveX standaard in Netscape Navigator werken, moeten we afwachten.

Deel dit bericht met anderen

Commentaar (0)add comment


Schrijf commentaar

kleiner | groter
password
 

busy
 

Lente Actie!

Omdat het lente is, vieren we feest! We geven daarom alleen in de lente 50 euro korting op alle basistrainingen van Avid Studio, Magix Video deluxe, Sony Vegas Movie Studio en Adobe Premiere Elements.

U betaalt dus geen 149 euro per trainingsdag, maar 99 euro. Schrijf je snel in, want er zijn maar een beperkt aantal plaatsen beschikbaar!

Cursussen en trainingen

Dvscene geeft trainingen en cursussen in het trainingscentrum van Iscenes multimedia.

Er zijn verschillende cursussen per pakket voor beginners en gevorderden.  U kunt zich inschrijven voor de volgende cursussen en trainingen: